Rogstekers in de tuin

WEERT – Nu de lente eindelijk aanbreekt moeten we binnen blijven voor onze gezondheid. Da’s best lastig. Maar Netflix, klussen en spellen bieden uitkomst. En daar hoort voor sommigen ook tuinieren bij. Want dát mag wel.

Door Erik Werps

Puzzelen is plots ook weer populair. En geloof het of niet… ook het verhaal van de Rogstekers kan een hersenkraker zijn. Want in de Gouden Eeuw was heel Holland ermee bekend. Hoe kan dat nou met zo’n tamelijk flauw verhaal? En waar kwam het vandaan?

Drie jaar lang hebben we hier vrij intensief naar gezocht. En het is wellicht neet te geluive, maar voor een antwoord komen we uit in de tijd dat Amerika werd ontdekt.

Onderweg liepen we de Rogstekers op onverwachte momenten tegen het lijf. Tenminste 33 van deze ‘ontmoetingen’ stammen uit de 17e en 18e eeuw. Voor ons is het dan niet altijd duidelijk wat er werd gezegd. En zo zou je het in feite als een grote puzzel kunnen zien. Eentje die niet compleet is. En waarvan ook de deksel van de doos met het voorbeeld ontbreekt. Ook dat nog.

In de komende weken leggen we een stuk of zes stukjes voor u op tafel. En we beginnen met een stukje over Rogstekers in de tuin.

In de Gouden Eeuw raakte het in Holland in de mode een echte tuin aan te leggen. Met heerlijke bloemen, planten en heggetjes om te knippen. Een tuin die mooi paste bij je zomerverblijf. Je moest er natuurlijk wel het geld voor hebben.

Sommige lui hadden zoveel te besteden dat ze nog iets verder gingen. Als de tuin klaar was schreven ze een tuingedicht. En daar kwamen tekeningen bij, zodat ze over hun eigen tuin een boek konden maken.

Hierin werd de lezer als het ware bij de hand genomen voor een rondleiding. Op aangename wijze beschreef men het ontwerp van de tuin en de schoonheid van de natuur. De mooie planten die er groeiden, de vlijtige beestjes die er werkten en de heerlijke vruchten die dit allemaal opleverde. Men stelde het buitenleven duidelijk meer op prijs dan het drukke leven in de stad, dat vol was van schelmerijen, zuiperijen en bedrog.

Dit was ook het plan van Everard Meyster. Net buiten Amersfoort liet hij rond 1660 het landgoed Dool-om-berg aanleggen. Dit was min of meer een uitbreiding op zijn buitenplaats Nimmer-dor, een project van een paar jaar daarvoor. Het geheel beschouwde hij als zijn meyster-stuk. Dit gold niet alleen voor de prestatie om van de dorre heide een groene oase te maken. Het meesterlijke zat ’m vooral in het ontwerp van de tuin. In zijn gedicht legt hij uit hoe men die moest interpreteren.

Nu is het verstandig even bij de figuur Everard Meyster stil te staan. Hij was een impulsieve en schatrijke jonkheer. In feite een soort Johan Vlemmix van zijn tijd. Als katholiek mocht hij in Holland geen bestuurlijke functie vervullen. Maar het was niets voor hem om op zijn handen te gaan zitten. Met een surplus aan vrije tijd, geld en een vindingrijke geest stortte hij zich met tomeloze energie op allerlei projecten.

Zo sleepte op zijn initiatief een groep Amersfoorters met grote moeite een zwerfkei binnen de stad. Waarom was niet duidelijk. Het leidde wel tot de geboorte van de spotnaam Keientrekkers. Uit schaamte kieperde men in 1672 het gevaarte in een kuil. Begin vorige eeuw werd de kei weer opgegraven. Sindsdien geldt het als een icoon voor Amersfoort: een Kei van een stad.

Uiteindelijk kwam het dus nog goed met die kei. Hoewel het als een uit de hand gelopen grap was begonnen. Typisch Meyster…

Maar met zijn landgoed had hij serieuze plannen. Van de tuin had hij namelijk een doolhof laten maken. En toen het klaar was schreef hij een gedicht om er een diepere betekenis aan te geven. Het blijkt dat we zijn doolhof moeten zien als een symbool voor de wereld, waarin mensen met moeite de juiste weg vinden om geholpen door goddelijke inspiratie verlichting te bereiken. Dit laatste is waar het om gaat.

Maar wat hij in het gedicht in zijn tuin ziet gebeuren, is dat veel mensen de weg kwijt raken. Belast door zonden dolen ze rond in zijn hof. En zijn tekst is vooral een satire op de personen die zichzelf door list en bedrog verrijken en anderen onrecht aandoen. Daarbij ontziet hij niemand. Advocaten en apothekers moeten het ontgelden. Maar ook frauderende bakkers en bloemisten. Vrijwel iedereen heeft een plank voor zijn kop van de zakenman, en daar wordt hij alleen maar slechter van.

Ergens in zijn gedicht en in de lange rij van bijna 300 zondaars duiken plots de Rogstekers op. Hun exacte zonden noemt hij niet, maar hun naam zegt kennelijk genoeg. Ze verkeren in het gezelschap van bierdragers en bierschooiers. Maar ook van ratelaars, dievenleiders en leugenstrooiers. En van degenen die men achterklappers noemt.

Sjonge, het staat er echt. Maar wat moeten we hier nou mee? Is dit alsnog een grap van de grillige Meyster? Of zegt het toch iets over de Rogstekers, die bij Amersfoort in een tuin verdwaalden?

U kunt het lezen vanaf half mei. www.SteekSpel.eu