Blog Fredy Nies; Weert uit mijn jeugd

Fredy Nies in Frankrijk

In het centrum van Weert ben ik in 1945 geboren, uit Weerter ouders; Joseph Nies en Jeanne Coenen. Mijn Weerter grootouders; Felix Nies & Anna Held, Godefridus (Frits) Coenen & Anna Spierings.

Mijn oma van vaders kant kwam uit Schwartzwald, maar tijdens de oorlog heeft zij bewezen een echte Weertse te zijn door zich in woord en gebaar te verzetten tegen haar landgenoten die Weert terroriseerden en haar zoon hebben vermoord. De tegenwoordige import Weertenaren hebben het altijd over het unieke van hun stad, wat is er dan zo uniek, wat weten zij er nog van, kennen zij het echte Weert wel, hebben zij het allemaal meegemaakt, hebben zij gezien hoe een lief, achterlijk onbeduidend provincie stadje werd overrompeld door bouwgiganten?

Tijdens de oorlog werden steden geheel of gedeeltelijk vernietigd, na de oorlog werd de stad dan zo goed mogelijk opgebouwd, indien mogelijk met behoud van de ware identiteit, in Weert is tijdens de oorlog bijna niets vernietigd, maar na 1960 werd de stad dusdanig toegetakeld dat er niets meer over is van al datgene wat door zorgvuldige restauratie bespaard had kunnen blijven voor het nageslacht.

Het Weert van voor de alles vernietigende renovatiestorm had een hart, het had sfeer, deze sfeer heeft na 1960 opgehouden te bestaan, het enige wat bleef was de onvervalste Weerter mentaliteit die tot ver in het Limburgse bekend stond, het was onvriendelijk, afstandelijk, boers, stug, en lomp, al het nieuwe en onbekende werd meestal meteen onder het tapijt geveegd, de antwoorden als “det kan nieet, det leeje, steltj uch nieet aan en gae motj dae flauwekul mer ergus angers goan vertelle” waren standaard voor de echte puristen, ook wel stiegels genoemd.

De norse mentaliteit van de Weertenaren wordt in het Limburgse nog eens extra aangedikt door het dialect dat vooral opvalt door zijn afgebeten zinnen, net niet snauwerig, maar vergeleken met het zangerige in de rest van de provincie lijkt het wel of de Weertenaren altijd ruzie hebben.

Dit alles heeft zijn oorsprong, die men vooral moet zoeken in het verleden van een stadje op de zandgrond, waar men hard moest werken voor een paar rotte centen, die veel kinderen moesten voeden, het Weert van toen dat weinig of niets voorstelde en het altijd moest opnemen tegen aartsvijand de sjieke Roermondenaren, die geen gelegenheid voorbij lieten gaan om de Weertenaren te kleineren.

Weert vs Roermond, volgens de Weertenaren zou het nooit meer goed komen tussen die twee, legde men dit probleem voor aan de Roermondenaren, haalden zij onverschillig hun schouders op over zoveel onbenul, dit was een probleem voor de Weertenaren die met veel geschreeuw hun minderwaardigheidscomplex probeerden te camoufleren.

Weert vond Roermondenaren te veel standj, zeikerds en kaaie kook, Roermond vond de Weertenaren ongeciviliseerde boeren en metzestaekers. Men bood tegen mekaar op, wie was de beste, de grootste en vooral wie het meeste had, daar ging het om. Deze regionale twisten speelden zich af tot in de zestiger jaren en namen soms groteske vormen aan, vooral wanneer twee geliefden zich het jawoord gaven voor een gemengd huwelijk, er doen verhalen de ronde dat bij bruiloften in Weert, de familie uit Roermond op het hoogtepunt van het oh zo gezellige feest moesten rennen voor hun leven, achternagezeten door de nieuwe schoonfamilie, die, bewapend met knuppels en “metzen” zorgden voor een passende uitgeleide tot aan de overweg “den trumpert”, eenmaal verzekerd dat ze niet meer terug zouden komen, ging men terug naar het feest, want hier moest op gedronken worden, waat meindje dieej zeikerds waal nieet.

Maar wie was nu superieur aan wie voor de oorlog? Vergelijk en constateer!!!
Weert, kanaal de Zuid Willemsvaart en het Bassin – Roermond: rivier de Maas en meerdere havens, Weert, politiebureau – Roermond, politiebureau, gevangenis, het gerecht, en de kamer van koophandel Weert, de deken in de Martinuskerk – Roermond, de bisschop in de Kathedraal Weert, de Rogstaekers in alle saamhorigheid – Roermond, den Uul en veel meer los zand Weert, de beste vlaai van Nederland – Roermond, de kaaiste kook van Limburg

Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar de eerlijkheid gebiedt mij te erkennen, zelfs als rasechte Weerternaar, Roermond had net dat ietsje meer. In den lande was Weert bij de niet automobilisten vrijwel onbekend, voor velen die dachten dat ze het wel kenden, lag Weert in Brabant, ook dit heeft er toe bijgedragen dat het met de identiteit niet goed zat, in vroegere boeken over Limburg werd Weert amper of niet genoemd, de industriestad van nu stond 100 jaar geleden nauwelijks op de kaart.

Van de oudere industrieën van vroeger zoals: Beeren tricotage, Smeets drukkerijen, Waltjes aluminium, Van de Venne meel, Wertha brouwerij, slachthuis, melkfabriek, lucifersfabriek, de cooperaties langs het kanaal en aan de Parallelweg, is alleen de Koninklijke Smeets overgebleven.

Verder waren er veel ambachtelijke een en meermans zaken, de vele boerenbedrijven die Weert omzoomden benadrukte nog maar eens de landelijke sfeer van het geheel Het roomse leven drukte op dit alles een grote stempel, en niet alleen door de prachtige Martinuskerk, maar ook door zijn vele kloosters, Franciscanen op de Biest, de paters van de Heilige Geest op Fatima, en de zusterkes in de Maasstraat, de broeders en de nonnen die borg stonden voor streng maar perfect onderwijs, vanaf de kleuterschool t/m het middelbaar onderwijs voor in en externen. De gerenommeerde onderwijsinstituten zoals het Bisschoppelijk College en de MMS op de Wilhelminasingel, en het pensionaat st. Louis op de Emmasingel, en nog roomser, de paters van de heilige Geest (st.Esprit) op Fatima.

Deze internaten en pensionaten, ook toegankelijk voor externen, deden op zon en feestdagen hun uiterste best om de vroomheid aan den volke te tonen door klassikaal met keurig uitgedoste jongeheren in rijen van twee over de singels te lopen. Dit wandelen was een gedisciplineerd gebeuren, men liep braaf, zonder de stem te verheffen achter een brevierende “professor” in toga, die vooral stiekem over het missaal keek of er geen dingen gebeurde, die de kuise jongeheren uit hun evenwicht zou brengen, bijv. wandelende jonge dames van de aangrenzende mms. werden met een kort knikje begroet, knipogen, omkijken of opmerkingen maken over al dat schoons dat voorbij liep, werd door de geestelijken, die onbevlektheid predikten ten strengste bestraft.

De nonnen waren nog een graatje erger, als af en toe het zwembad onder strenge begeleiding, en volledige afzondering van de boze buitenwereld bezocht werd,en de jonge dames na afloop in de kloostertuin hun zwemspullen te drogen hingen, werden de cups uit de badpakken geknipt.

Hierna werden donderpreken gehouden die deze duivelse hulpmiddelen verboden. Het roomse fundamentalisme kwam vooral tot uiting door de kleding voorschriften die de lange broek voor de jonge dames niet verboden, maar ze wel verplichtten er een rok overheen te dragen, deze kolderieke regelgeving zorgde ervoor dat bij het verlaten van de school en uit het zicht van de immer surveillerende nonnenogen, de externen zich massaal ontdeden van de kuise rokken.

Helaas, al deze roomse monumenten zijn opgeslokt door het emotieloze “projectontwikkelingsmonster” de paters op de Biest zullen eerdaags ook moeten wijken, en dan is het wachten op de destructie van een van de weinige monumenten nog aanwezig in de binnenstad, nl. het prachtige pand van de zusterkes in de eveneens prachtig gerestaureerde Maasstraat. Maar er is een monument dat nooit geofferd mag worden aan de alles vernietigende moderniserings hotemetoten, het monument van Weert, de Statter Kerk, ons aller Martinus, de kerk die zoals het vroeger bedoeld was, in het midden ligt, de kerk die de spil was van het Weert uit mijn jeugd, de kerk die het decor was voor Breugeliaanse taferelen tijdens de verschillende marktdagen waarbij op woensdag het kleinvee door de boeren in manden werd aangedragen en met open deksels werd uitgestald zodat de nieuwe eigenaren de kippen, ganzen, eenden en biggen konden betasten alvorens ze schreeuwend mee naar huis te nemen om ze vet te mesten.

Het was de kunst om bij een onoplettende boer de deksel van de biggenmand open te zetten, niets is zo komisch om een op klompen rennende, pet verliezende boer over een volle markt achter een schreeuwende big aan te zien rennen, het vergrootte de feestvreugde, iedereen behalve de biggenvanger moest er om lachen en later in de omliggende kroegen werd de gedupeerde boer, meestal afkomstig van de kerkdorpen nog eens goed, volgens oud Weerter gebruik in de zeik gezet, zijn “valtj kepot” was kort en krachtig.

De belangrijkste markt was op zaterdag, na schooltijd om 12 uur meteen naar de markt om de kooplui te helpen bij het inpakken van de overgebleven uitgestalde nering, dit alles moest snel gebeuren om met het verdiende kwartje nog wat “snuik” te kopen in de aangrenzende marktkraam, het achtergebleven rottend fruit werd als munitie gebruikt om de venters te bekogelen, die als dank voor het aangenaam verpozen vlak voor hun vertrek nog even tegen de kerkgevels gingen pissen, het was rennen geblazen als zo’n appel met volle vaart in de nek van de pisseman belande, die van schrik alles losliet, de broek kletsnat, de gulp open en zonder het spul in te pakken meteen de vluchtende scherpschutters achterna rende.

De kerk in al haar plechtigheid, het vertrek en eindpunt van processies die door met tapijten van bloemen gedecoreerde straten trok, waar vrome gezinnen in deur of raamopeningen een altaar hadden gebouwd, meestal een tafel met pers, waarop een kruis met “oes lieeve hieer” of een beeld van Maria, omringd met bloemen en kandelaars waarin brandende kaarsen. Als de hemel, die getorst werd door vrome bestuurders,(oa opa Nies) met de monstrans gedragen door de deken voorbij kwam, werd er geknield en gebeden. Herinneringen aan dit monument met zijn Suisse met imponerend uniform, de nachtmissen, duizenden dopelingen, communiekanten, huwelijken, begrafenissen, donderpreken, het verplicht naar de mis moeten, het niet meer gaan, opstandig worden, het circus van tegenwoordig om krampachtig de zieltjes te behouden, het maakt allemaal niet uit, de “Statter Kerrik” is voor alle rasechte Weerternaren het symbool van hun existentie.

Als garnizoensstad kreeg Weert bekendheid in het militaire middenkader, maar of dit veldheren van het kaliber Jan van de Croon de illustere Weerter houwdegen van enkele eeuwen geleden heeft voortgebracht is mij niet bekend, wel schijnt het zo te zijn dat de Surinaamse legerleider Bouterse hier enkele jaren het handboek soldaat en onderofficier heeft bestudeerd, maar of Weert hierdoor nu nationaal meer bekendheid heeft gekregen valt te betwijfelen.

Wat weinigen nog weten is dat Weert de absolute trendsetter is geweest in zake file creëren, voor velen die in lang vervlogen tijden een automobiel bezaten was Weert de stop tussen noord en zuid, het einde van de beschaving, de enorme files die de binnenstad en de toegangswegen muurvast zetten waren te danken aan de prachtige draaibrug die voor elk toeterend schip tergend langzaam met de hand werd opgedraaid..

Op zondagen was het folklore op de singels, vooral in de zomerse hitte met al die stationair draaiende milieu onbewuste stinkbakken, vol geladen met in wapperend plastic verpakte vakantie rommel, jengelend kroost en hijgende huisdieren op de achterbanken, chagrijnig kijkende ouders die zich niet geneerden om op onze plantsoenen te kakken, te piesen, te kotsen en luiers te verwisselen, de vlaaibakkende middenstand spon er garen bij, de dag des herens moest op de singel en de Maaspoort maar even wijken.

Antje van de statie heeft de Weerter vlaaien beroemd gemaakt, ” de statter bruk” de stop van Weert, de bakkers rijk. Opvallend waren de bussen met Hollandse toeristen, richting Valkenburg of de Eiffel, dagjes mensen genoemd, die met punt hoedjes en toeters toen al belachelijk leuk zaten te wezen, en maar zwaaien naar de Weerter wandelaars alsof het vreemdsoortige wezens waren, de Hollandse mentaliteit is in veertig jaren weinig verandert, laat ze los in het buitenland, zij gaan zich aanstellen en de lokale bevolking kleineren.

Een oud Limburgs gebruik in de kleinere gemeenschappen, was het geven van bijnamen, dit was in Weert zover ingevoerd, dat in vele gevallen de mensen alleen door hun bijnaam bekend waren en de familienaam alleen bij de bevolkingsregisters genoteerd stond. Bijnamen waren niet aan regels gebonden, ze hadden betreking op de geboorteplaats,(Bertus de Volendammer), een gebeurtenis,( Tjeu van de baum) een beroep, (Frits van de brauwer) een gebrek, (kromme Pier) de haarkleur, (de roeje van Spierings) stand van ogen, (de schaele van Nien), oren en neus, studie, afkomst of gewoon een willekeurige verbastering van de eigen naam.

Bijnamen waren heel iets anders dan scheldnamen, door bijnamen werd iemand aangeduid, bij scheldnamen ging het erom iemand moedwillig te kwetsen, scheld namen vlogen over en weer bij de vaak potsierlijke scheldkanonnades tijdens buren of cafe ruzies. Zoals scheldnamen overal ter wereld bewust gebruikt worden om te krenken of te intimideren, zo ging het met de bijnamen voor de niet echt ingewijden weleens onbewust fout, bijvoorbeeld mijn oma uit Schwartzwald was in het begin niet op de hoogte van het bijnamen fenomeen, ze had vooral moeite met het aanleren van de Nederlandse taal, omdat in het Weert van voor de oorlog hoofdzakelijk dialect werd gesproken, na verloop van tijd sprak ze beter Weerts dan Nederlands. Opa deed als aannemer, meister schreiner en later begrafenisondernemer (zaak overgenomen van zijn zoon, de vermoorde verzetsheld Frans Nies), zaken met een heerschap met de bijnaam poepertje, zij had de naam vaker gehoord en wist wie er bedoeld werd, op een dag ging de bel, oma deed open en daar stond het heerschap hij wilde opa spreken, deze stond zich boven te scheren, oma stond onder in de gang en riep naar boven,,,, Felix, komm mal noa onger, Herr pupperschen ist hier,,, Naar het schijnt heeft Herr Pupperschen het opgevat als een blijk van erkenning, hij bleef zaken doen met opa, maar toch geeft dit maar weer eens aan in hoeverre dit soort gewoontes verwarring kunnen stichten.

Weert was een actieve sportstad, met aan het hoofd de voetbalclub Wilhelmina ’08 die volgens echte Weerter voetbalfanaten altijd van Roermond heeft gewonnen, vaak werd er ook na de wedstrijd nog veel nagetrapt en volgens dezelfde supporters was Weert ook in het après voetbal glansrijk winnaar. Tijdens de derby Wilhelmina vs De Bera, liepen de gemoederen vaak zo hoog op, dat hier wellicht ook iets trendsettend heeft plaatsgevonden, de local hooligans konden zich bij winst of verlies, voor wie deed er niet toe, eens lekker uitleven, wat op maandag meestal resulteerde in een groot ziekteverzuim onder het tricotage personeel.

Wielerwedstrijden waren in de zomer aan de orde van de dag, om elke kerk werd wel een ronde gereden, het waren meestal knoertige amateurs, die bereid waren voor een paar gulden premie, aangeboden door de gulle middenstand, zich soms letterlijk te barsten te fietsen op het krakkemikkig beveiligde parcours, overstekende moeders met kinderwagens, achterna gezeten door keffende honden, vormden een ware bedreiging voor menig coureur die geen andere keuze had dan met zijn hele hebben en houden in de strobalen te duiken.

Zelfs een heel peloton is eens een biertent binnen gereden om een overstekende fanfare te ontwijken, na de nodige nondedjus, stomme boeren, het recht trappen van gevleugelde wielen, en het tussen de benen recht zetten van de sturen, werd er weer vrolijk verder gekoerst, de premies waren hard nodig om het kapotte materiaal te vervangen. Na afloop de prijsuitreiking, een plaatselijke schone werd tot kissmiss bevordert, de krakende geluidsinstallatie gaf de namen van de sponsoren nog eens onverstaanbaar weer, dit alles werd opgeluisterd door krassende marsmuziek, grote potten bier, veel getoupeerde lokale schonen die lonkten naar de met olie ingewreven benen van de macadam heroes, een vluchtige romance achter de tent, afspraakjes gemaakt, de pettycoats weer in orde gebracht, nieuwe lippenstift en poeder ter camouflage, bedankt en tot de volgende ronde. De met schaafwonden overdekte, uit de omringende kerkdorpen afkomstige helden, rekten hun ruggen, hesen zich in het zadel en reden door weer en wind terug naar huis.

Vooral de schutterijen zorgden in voorjaar en zomer voor prachtige Limburgse folklore, weilanden vol met feesttenten en schietpalen beiden stevig verankert door een veelvoud aan scheerlijnen, die garant stonden voor halsbrekende toeren van de feestvierders die dachten even ongemerkt achter de tent de blaas te ledigen. Het serieuze exerceren met stramme ledematen over de ongelijke grasmat, markante koppen, getekend door het harde boeren bestaan, die geen spier vertrokken als het geen ritmisch geheel meer was, als er gestruikeld werd over een graspol, of als de pet afwaaide, komische situaties waarbij lachen verboden was, hier waren punten te verdienen, dit was regionale topsport. Het schieten met de grote eenschots proppenkarabijnen, op de stoppen hoog in de lucht, beschermd tegen de zon door secondanten met hoog opgestoken zwarte paraplu. Het eindeloos en spannend kavelen, soms tot zonsondergang en s>anderendaags weer verder, tot er een winnaar was, maakte het voor de toeschouwers en deelnemers ondraaglijk spannend. Maar hier was voor gezorgd, de familie, de kennissen, en de toeschouwers die de spanning niet meer aankonden trokken zich terug in de tenten en onder het genot van steeds meer lauw bier, vettige snacks, dikke sigaren en sappige verhalen, werd af en toe een aanmoediging richting kreunende en transpirerende favorieten geschreeuwd. Tot laat in de nacht en ver in de omtrek schalden door krakende luidsprekers de laatste hits van het smartlappengenre, de refreinen werden uit volle borst meegebruld wat noch dorstiger maakte, maar voorraad genoeg iedereen kwam in de gevarenzone, de eerste wrijvingen waren waarneembaar de onderlinge vetes borrelden op, de dorps sterksten begonnen vervaarlijk met hun armen te zwaaien, maar gelukkig het einde naderde, de hoogwaardigheidsbekleders, de schutters, de aanhang en de toeschouwers zij allen keerden huiswaarts, velen struikelden over de nog steeds aanwezige scheerlijnen,,,, ‘tot volgendje waek, dootj kalm aan, en rietj vurzichtig’.

Gelukkig, de politie controles waren nog niet zo streng als tegenwoordig en diegene die toch aangehouden werden kwamen er met een waarschuwing van af, de politie was ook in de tent aanwezig en heette nog plies, veldwachter of boeej. Een festijn uniek in zijn soort waarover reeds vele boeken zijn volgeschreven, de schoonheid der koningen en koninginnen die zich op dit soort dagen in vol ornaat aan den volke toonden, maar vooral de bezieling van al de deelnemers aan dit prachtig Limburgse evenement, getuigde van een grote hang naar het verleden, onze cultuur en geschiedenis leeft dankzij dit soort folklore voort tot het einde der dagen. Voorloper van dit met veel geknal gepaard gaand schuttersfeest, was een vereniging waarvan de projectielen volkomen geruisloos hun doel bereikten, de tradities in grote lijnen overeenkwamen met hun knallende schutterijbroeders, waar men koning en zelfs keizer kon worden, waar het gerstenat rijkelijk stroomde en met alle waarschijnlijkheid de oudste sportclub van Weert genoemd mag worden namelijk handboogschutterij Concordia anno 1793, later werden nieuwe verenigingen opgericht die allen honderd of meer jaren bestaan en voor het gemak «dun doel » genoemd werden, met als laatste grote wapenfeit het nederlands kampioenschap in 1944 van het zestal van de handboogschutterij de Vriendschap. (een van de kampioenen was opa Fritske Coenen).

De gymnastiekvereniging Jan vanWeert, herculesachtige figuren die met ingehouden buiken, de borst vooruit, kin omhoog in oogverblindende turnoutfits achter het vaandel aanliepen om tijdens feestdagen in het centrum demonstraties te geven, de volleybal verenigingen, VSW en de Fighters die als echte rivalen op koninginnendag hun vete uitvochten op de markt, de boksers van de Weerter ring, die op kermissen hun knoerharde uppercuts toonden aan het dol enthousiaste weerter publiek, ten koste van de vervaarlijk uitziende kermisboksers met amerikaanse namen die de boertjes uit Weert wel eens een lesje zouden leren.

Verder waren het de duivenmelkers die per fiets, met de klokken onder de zelfbinders richting clublokaal gingen, waar na vele potten bier en sterke verhalen besloten werd huiswaarts te keren om met rammellende maisbussen en lieve woordjes de uitgeputte gevleugelde sportievelingen naar binnen te lokken, de ringen te klokken, en snel terug naar het clublokaal om de prijzen en vele potten bier in ontvangst te nemen. De door de stad fietsende vissers, die, als wij naar de zondagse mis gingen reeds terugkeerden met volle netten van het vroege opstaan, de volle cafes na de hoogmis, met de vele kaart en biljartverenigingen, dit was het beeld van sportend Weert in een ver verleden, gemoedelijk en sfeerbepalend.

Er was een hockeyclub en twee tennisverenigingen, maar dit was voor de weerter happy few, hier werd geen of weinig aandacht aan geschonken, dit was een andere wereld, moeilijk bereikbaar voor de hardwerkende mensen, die dus al de beoefenaars maar meteen betitelde als aanstellers en flauw zek, vooral het tenniswereldje was onbekend en elitair, witte kleding, keurige taal, verontschuldigingen over en weer, de banen waren rondom afgebakend met rieten matten die wind en pottenkijkers buiten moesten houden, zodat de heren (af en toe ook dames), ongestoord van het aangenaam verpozen konden genieten. Dit was niet weerts, hier werd weinig gevloekt en gezweet, dit was volgens oud weerts gebruik ” de kal nieet waert”, dit waren zeikerds.

Fredy Nies France
Geplaatst op 15 juli 2015 door Godefridus Nies als zijn eerste blog
https://godefridusnies.wordpress.com