Op 11 januari wordt in de Apollozaal een eerste Bonte Avond gehouden. Daar komen zoveel Weertenaren op af dat spontaan het besluit valt enkele dagen later een tweede avond te houden. De vijfhonderd aanwezigen doen volgens de krant uitstekend mee met de performers op het toneel. Interactie avant la lettre…. Merkwaardigerwijs blijkt nergens wat er precies aan repertoire wordt vertoond. Het is hoe dan ook onvervalste Rogstaekershumor en het kan kennelijk door de beugel. Met een overduidelijk en eenstemmig ‘ja’ stemt het publiek in met een optocht op carnavalszondag onder het motto: De Rogstaekers door de eeuwen heen. Met 219 van de 320 geldig uitgebrachte stemmen wordt de compositie van onderwijzer Louis Baeten Ut es vastelaovendj, eederein es blee-j gekozen tot officieel carnavalsliedje 1937. We zingen ‘t nu nog steeds!

Twee dagen na de tweede Bonte Avond, op 21 januari, wordt er vergaderd over de optocht, onmiskenbaar toen al het belangrijkste evenement van het Rogstaekerscarnaval. Tijdens deze bijeenkomst wordt de instelling van de Orde van de Rog een feit. Al naar gelang de bijdrage wordt met name de middenstand hierin openomen als donateur in de rang van schildknaap (minste bijdrage) tot oppermaarschalk (meeste). Tijdens de tweede en laatste optochtvergadering is de zaal bomvol met vertegenwoordigers van verenigingen, buurtschappen en vrijwilligers. Vorst Zjang vertelt met kennelijk voorspellend vermogen dat deze optocht groots wordt. De uitroeping van de eerste Stadsprins heeft niets weg van het spektakelstuk waarmee we vandaag de dag een nieuwe Prins verwelkomen. Het is in 1937 louter een mededeling over het feit dat er in een geheime stemming is besloten Giel Poell als zodanig uit te roepen. Hij gaat achter de vergadertafel tussen de Raad van Elf zitten, geeft een rondje en stelt zich voor als Giel d’n Ieërste, Preens van Wieërt en Ridder in de orde van de Rog, hieër van de Tungelder Wel, de Aoverterberg, van de Aoje Graaf, de Bokketer Bieëk enz. enz. Dat is het dan. Zijn aanspreektitel luidt Zijne Zotheid. Giel is niet bepaald een onbekende Weertenaar. Hij is onder meer actief als carnavalist bij Buurtschap Maaspoort, is bestuurlijk druk in de weer bij voetbalclub Wilhelmina ’08 en als ondernemer betrokken bij de Weerter beschuitfabriek Jos Poell, lange tijd met kantoor en productie gevestigd in de Maasstraat.

Uit krantenberichten wordt duidelijk dat carnaval in Weert in deze tijd uit meer bestaat dan een optocht alleen. In veel etablissementen en bij veel verenigingen wordt van alles gedaan om carnavalvierders te trekken. Er wordt versiering aangebracht, er worden orkesten ingehuurd en er komt een ‘sterrit’ op dinsdag. Het is daarbij voor de krant mooi meegenomen dat er in de periode voor carnaval veel advertenties worden geplaatst om carnavalvierders te lokken. Er blijkt wat verwarring te zijn over de rol en invloed van de Rogstaekersvereniging. Al snel is het de betrokkenen echter duidelijk dat er van geen andere doelstelling sprake is (in feite ook thans nog) als een ordentelijke viering van carnaval. Geen inmenging dus van welke feestviering of organisatie dan ook.

En dan het eigenlijke carna­val. Op 6 februari 1937, vastenavondzondag, haalt heel Weert Preens Giel I – à la Oeteldonk – van het station. Een bonte stoet met hofdames en al trekt naar het stadhuis op de Markt. De Prins met zijn gevolg rijdt in een glanzende bolide en de Raad van Elf in een grote imitatierog op wielen. Op het bordes leest iemand van de hofhouding een proclamatie voor, compleet met Reglement van Orde. Temidden van een opgetogen menigte brengt een rijtoer het gezelschap door de Weerter straten naar Hotel Lenders waar het nog lang feest is. In alle horeca­gelegenheden wordt ­trouwens uitbundig carnaval gevierd. Op maandag is er ‘s middags een bonte en zeer gevarieerde optocht met zo’n veertig wagens, groepen en eenlingen. Tussen duizenden enthousiaste toeschouwers door trekt de stoet vanaf de Biest door Weert en de actualiteit wordt met carnavaleske uitvergroting en met prachtige creaties op de hak ­genomen. Een ‘volstrekt neutrale’ jury kent punten toe. De eerste prijs bij de verenigingen gaat naar De woongerkow van M.S.V. Moesdijk. Bij de buurtschappen triomfeert de Biest met De bestorming van ut kestieel. ‘s Avonds is er opnieuw volop feest in de Weerter horeca. Op vastenavond-dinsdag trekt een sterrit van optochtwagens onder veel bekijks naar de Markt. Er worden onderweg veel café-pitstops gemaakt. Volgens de krant is het een carnaval ‘als nooit tevoren’…. Wellicht fungeert een dreigende oorlog eerder als een stimulans dan als rem om de bloemetjes nog maar eens flink buiten te zetten. De straten zijn vol Rogstaekers, blij en uitgelaten als flierefluitende vogels in de eerste voorjaarszon. De tekst van het carnavalsliedje dit jaar klopt dan ook helemaal: Eederein es bli-j.

Prins
Giel I Poell

Adjudanten
Walter Gruijthuijsen
Françoise Poell

1e prijs optocht
M.S.V. Moesdijk

Liedje: ’t Es vastelaovundj, eederein es bli-j
De gekst daag, gè wet ‘t,
Van gehieel ’t jaor,
Di-j zeen weer aangebroeeke
En Wieert det es weer klaor.
Ve zulle noow gaon veere,
Op ’n nette schoeen meneer,
’t Fieest van vastelaovendj,
Dan krieege ve plezeer.

Refrein:
’t Es vastelaovundj,
Eederein es bli-j,
Laotj os noow danse,
En springe in ’n ri-j.
’t Es vastelaovendj,
Eederein gieet oet,
Want oees aller leuze,
Es “Wieert Vuuroet”.

DELEN
Volgend artikel1938 – Wieërter Stadsvastelaovendj